
Poëzie
Op deze pagina een selectie van gedichten die in de afgelopen jaren ontstonden. Ik schrijf over verschillende, vaak persoonlijke en religieuze onderwerpen.
Op deze pagina vind je geen gedichten uit mijn bundels. Na mijn laatste bundel Intact (verschijnt 20 juni 2026) ben ik nieuwe gedichten gaan schrijven, die zowel hier als op de pagina Beeldpoëzie (gaan) verschijnen.
Kijk op de pagina Beeldpoëzie voor gedichten samengaand met een kunstwerk (ik ben ook kunstenaar), of geïnspireerd door een kunstwerk.
WAT IK ONTDEKTE
Wat ik ontdekte: God is doodnormaal.
Ik vertelde mezelf een kortverhaal over de acacia
aan de overkant van het spoor
terwijl ik op mijn koffer zat
en was gelukkig. Dat viel samen
met een gesprekje met God.
Schone sokken uit de was halen,
plannen voor een bakkie
bij de snackbar om de hoek,
jouw ranke postuur tegen de afdalende lucht.
Zo’n gevoel dat je niet je hart
hoeft om te keren om alles te vinden
dat er dan nooit is.
Zelden zie ik dat de dingen contouren
hebben, soms wel.
God blaast de omtrek tot leven,
als een soort thermiek van de eeuwige parabel,
de beweging van de huid tegen het uitzicht aan.
Zonder is niet mogelijk.
BELOFTE
Het duurde even voordat het water
me vertelde dat ik niet langer
op mijn hoofd hoefde te staan
Stadsriool van mijn geweten
spuugde restafval en passive-agressive bevelen
over het prikkeldraad omzoomde lichaam
Water, sprak ik voordat ik het dacht
en nog weer daarvoor waste hij mijn voeten
droeg de grauwheid naar onder de aarde
Opdat ik ontwaak wordt er mij iets toegezegd
ik maak mijn nagels gedachteloos schoon
voel een laatste druppel uit voorbije nacht
de wolken scheiden. Dat wat graait wordt
tot zachtheid gefluisterd en eerlijk verdeeld
zonder dit begint alles pas
NISJE BIJ DE HEMA
De cappuccino koelt af
tijd dobbert in de veeltalige koffie
de klok tikt een nieuw uur aan
ik verwelkom het steeds afnemen van warmte
als appelbloesem in de lente:
ik ben er nog steeds en heb lief.
Er komt een dag dat machtige mannen
de zegen van nederigheid gaan ervaren,
dat de ruimte niet kleiner,
maar groter wordt.
Ik denk dit met het voorzichtig en herhaaldelijk
neerzetten van de dubbelwandige, glazen mok.
De intervallen zijn gevuld
met dansbewegingen
in mijn hoofd, die sierlijke, trage,
op kniehoogte omhelzen,
bijna ongewond.
Het park
Gerhard Richter schildert soms realistisch en soms
abstract. Net als het park, het is een roes met op elke
vierkante millimeter een feit, nee kleiner nog, in
brede omspansels de route van hier en nu
en eindeloos. Sterk ook, de kleur groen is de sterkste
die er is. Het waait nooit weg. Het haalt en brengt mij
naar de bank. Richter zwaait naar me, ik ren stil.
Als eenzaamheid gezalfd werd was het hier.
Ik tekende er Jezus aan het kruis. Vijf keer was genoeg.
Ik schreef er bij: Mijn God, mijn God, waarom hebt gij
mij verlaten? In deze tuin verzamel ik de spijkers,
de groeikracht van de schepping overstijgt de dood
die nooit bedoeld was voor de eeuwigheid,
ik zie het aan de gele sprietenblaadjes van de
paardenbloemen, zij kondigen het leven af en aan
het water vormen bomen echobeelden tegen lucht,
het licht is teruggekeerd omdat dat zo besloten lag,
al toen ik tekende en toen Hij er was en stierf enzo.
Argeloos de hondjes op het pad, met baasjes aan de lijn.
Zachter dan een briesje voelen de atomen op mijn huid.
Voor 2020
God
Zoals de blaadjes van een bloem
chrysantenwit met zon
een zilveren ziel
je blik ontkwijnt mijn stof
en vloeit mijn tegendelen heel
jij wezenswitte woning
waar ik weet
en rust
en
Aangeroepen
Zo aangeroepen door het Licht
dat de wet van onomkeerbaarheid
weerloos wordt
en aardedonker zwaartepunt
thermiek voortbrengt
een onomwonden nieuwe lichaamstaal
slaat haar ogen open
zo te worden opgewekt
en gaan
Druppels
Volmaakt als druppels: ogenblikken die kloppen
Zou opstanding zijn zoveel druppels dat het gaat stromen
tot er geen houden aan meer is
Uit Water
Er filtert stem
als lichtval in mijn huid
Zo zal het zijn
als u die zuiver water bent
mij vindt
en met mij onder gaat
verpurperd wordt
mij tot het einde
van de tombetijd
omkomt
Zo zal het zijn
totdat u mij
uit water schept
herschept
uit fluisterende overvloed
en opheft
naar de zon
L’chaim

Doop
De hand die liefde geeft
is het begin en einde
is zintuig van de heelheid
is huid van teder woord
Zij maakt de dauw tot sterren
en geeft ons licht uit onschuld
Het hart dat liefde geeft
laat ons als lied herboren
in eeuwg ochtendgloren
nog voor de eerste adem
ontluiken in het water
ontwaken als een kind
(Gepubliceerd in PKN Kerkinformatie, April 2008
Bij een kunstwerk van Judy van Vliet)
Herbergzaam
Deze plek, de warmgrijzige
heide met een vermoeden van paars
en een bonkige zachtheid
geruststellend als vaderlijke knikjes
Deze plek onder de langzaamaan
ontketenende meizon die onverwacht
en volkomen samenvalt
met aangekomen zijn
na vergeefs nagejaagde oorden
en ongastvrij bevonden luchtkastelen
argwanende pleisterplaatsen
Het is hier, lichtgevend beige gras rijst op
als een aaibare Geest Gods
waartussen zich eeuwige liefde nestelt,
Deze herbergzame aardehemel
waar U mij bezielt, waar ik werd
verwacht en gestild

Kind in Horst
Tweede strofe:
Als je dan de kleine schuilplaats opzocht
achter de bank, een lege wasmiddelemmer
vol met stofjes
dan ging je knippen,
naaien, passen, popjes, poppen,
kleertjes, kleuren, restjes
Een wereld als een regenboog
werd je eigen minimode
(Het hele gedicht is gepubliceerd in de bloemlezing: “Wie zag ooit witte pauzen? Ermelo in gedichten” 2019
Uitgeverij Anderszins >>)